Dag/journťe 6¬†¬† 19-02-03¬†¬†¬†¬†¬†De Irakese regering doet veel voor de Palestijnen

Rond half acht word ik wakker. Lise, mijn kamergenote, vertelt dat enkele mensen om acht uur naar Basra, in het zuiden van Irak, vertrekken. Snel spring ik in mijn kleren en ik rep me naar de lobby, en de hoop nog mee te kunnen. Helaas, ze hadden hun vliegticket de dag voordien al gekocht en waren al vertrokken. Ik ben even in een rothumeur, want ik heb goede herinneringen aan Basra, waar we vorig jaar een paar dagen verbleven.

Gelukkig heb ik even later meer geluk: in plaats van de geplande conferentie bij te wonen, besluiten we weer scholen te bezoeken, en ik geef Anis het adres van de Palestijnse wijk waar ik graag heen wil. We vinden er een school, waar voor tachtig procent Palestijnse kinderen schoollopen. Irakezen en Palestijnen worden op gelijke voet behandeld in Irak, en de Irakese regering doet veel voor de Palestijnen, wat voor een groot deel de populariteit van Saddam Hoessein in de Arabische wereld verklaart. Overal wapperen de Irakese en Palestijnse vlag broederlijk naast elkaar.

's Middags bel ik Basma op, een Irakees meisje die ik vorig jaar ontmoet heb. We spreken af in de lobby van het hotel. Ik overhandig Basma een foto van mij en Mara, een ander Belgisch meisje, samen met Basma en haar vriendinnen bij de moskee van Kerbala. Op haar beurt overhandigt zij me een schitterend souvenir: een sleutelhanger met twee grote ogen, die moeten beschermen tegen het kwaad. Basma is duidelijk angstiger dan vorig jaar. Voortdurend vraagt ze: "Wat kunnen we doen?" Helaas moet ook ik haar hierop het antwoord schuldig blijven, maar ik beloof haar dat we al het mogelijke zullen doen om een oorlog te voorkomen. Basma komt gelukkig uit een relatief rijke familie, is mooi gekleed en heeft zelfs e-mail. Ze wil aan de slag als lerares Engels, maar is sinds vorig jaar nog steeds werkloos. Na een uurtje honderuit te kletsen, nemen we afscheid, maar we beloven contact te houden.

Later komt Rachida me ophalen voor ons bezoek aan de Palestijnse familie. De groetmoeder, die tot haar elf jaar in Palestina woonde, vertelt ons hoe IsraŽliŽrs Palestijnse kinderen in kokend water gooiden. Ik gruwel bij de gedachte. De Belgen kunnen bij haar op veel sympathie rekenen. Ze vertelt ons dat ons landje in het oog spring door de unieke standpunten die ze vaak durven innemen, en de Algerijnse Rachida bevestigt dit. De klacht tegen AriŽl Sharon en nu onlangs het blokkeren van de Navo heeft ons inderdaad erg populair gemaakt in de Arabische wereld. Hoewel de vrouw al vijftig jaar weg is uit Palestina, beschouwt ze het nog altijd als haar vaderland, en ze vraagt ons om ons ook in te zetten voor de Palestijnse zaak. Ik vertel haar over de groep Belgisceh jongeren die volgende zomer voor een drietal weken naar Palestina trekken, en zeg haar dat ik hoop hen opnieuw te ontmoeten, in Irak of in Palestina. Op de terugweg neemt Rachida me mee naar een souvenirwinkeltje, waar ik nog snel enkele kleinigheden koop voor mijn familie.

Terug op mijn kamer pak ik mijn valies in, want morgen vertrekken we terug naar huis. Als ik in mijn bed lig, wil de slaap maar niet komen. Rond elf uur komt mijn kamergenote binnen. Ze wil nog wat indrukken neerschrijven, want als studente geneeskunde is ze erg geschokt door haar bezoek aan een kinderziekenhuis. Eerst wordt het land gebombardeerd met bommen vol kernafval, de kinderen kunnen geen of onvoldoende medicijnen en chemotherapie krijgen als behandeling tegen leukemie, en ze hebben zelfs het recht niet om pijnloos te sterven, want zelfs pijnstillers zijn verboden! En de Amerikanen maar zeggen dat het Irakees regime wreed is, terwijl ze zelf maandelijks 5000 Irakese kinderen een pijnlijke dood injagen!


Carline

           Inhoud-Contenue